Begrotingsuitdaging aan de uitgavenkant
- Ivan Van de Cloot

- 4 dagen geleden
- 8 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 1 dag geleden
Wegens het grote Belgisch begrotingstekort (5,2 procent van het bbp eind dit jaar volgens de Europese Commissie)- en de hoge schuldgraad (110,5 procent van het bbp), dringen zich ingrepen op om de overheidsfinanciën op orde te brengen.
Politiek levert dat een debat op in welke mate die aan de uitgaven dan wel de inkomsten dient te gebeuren. Elke keer heb je net voor de begrotingsdiscussie een blikvernauwing. De politiek heeft zelden een visie over de toekomst van de overheidsfinanciën op lange termijn. Volgens het Rekenhof is er een inspanning van 15 à 20 miljard nodig is om het begrotingstekort naar 3 procent van het bbp te krijgen. Om de overheidsschuld op lange termijn te stabiliseren is een inspanning van zo’n 25 miljard nodig. Laat staan dat politiek al een plan zou ontwikkelen om de schuld naar lagere niveaus te brengen. Dat betekent dat we buiten de stressvolle "begrotingsweken" eens ertoe moeten komen om een strategie over meerdere legislaturen te definiëren. Het kan niet anders dan dat dit gepaard moet gaan met een staatshervorming.
Huidig kader
De afspraak voor de huidige begrotingsdiscussies is maatregelen te beslissen voor een bedrag van 7 miljard euro. Het probleem is niet dat de overheid geen kennis heeft over waar ingrepen mogelijk zijn. Er kunnen zoveel lijstjes gemaakt worden als men maar wil. Het punt is dat er verschillende inzichten zijn en dus ook veel politieke taboes. Iemand kan voorstellen het BTW regime te vervangen door een systeem met twee tarieven (8 of 12 procent voor basisgoederen en 22 of 23 procent voor luxegoederen). Op dit moment weten we dat de MR hier een veto tegen uitspreekt. Er zijn ook partijen die nieuwe ingrepen op de automatische loonindexering zullen blokkeren (oa. Vooruit). Heel deze coalitie is zowat gestart met de eis van Les Engagés dat er niet mag geraakt worden aan de groeinorm in de gezondheidszorg. Gegeven de lange termijnuitdaging van ingrepen tot 25 miljard euro zullen later alle taboes op een bepaald moment moeten doorbroken worden. Alleen ziet het ernaar uit dat ze voor de huidige discussie over 7 miljard grotendeels overeind blijven.
Uitgaven versus ontvangsten
Onder de titel "Help, de belastingsopbrengsten zijn gekrompen" pende de Leuvense econoom Paul de Grauwe een nota neer die stelt dat de "krimpende belastingbasis ervoor gezorgd (heeft) dat de overheid aankijkt tegen gedaalde inkomsten ten belope van 21 miljard EUR." : https://feb.kuleuven.be/research/LES/pdf/LES2026-239.pdf
Deze tekst wordt door sommigen gebruikt om te poneren dat de begrotingsaanpassing sterk kan leunen op de ingrepen aan de inkomstenzijde. Een opmerkelijke stelling is dat "deze krimp in de belastingopbrengsten vooral het resultaat (is) van het feit nogal wat Belgen met hogere inkomens uit het statuut van werknemer zijn gestapt naar een statuut dat hen toelaat hun wedde te registreren als winst van een vennootschap".
Er is al veel jaren een discussie over de zogenaamde tendens tot "vervennootschappelijking". Er wordt regelmatig beweerd dat dit belangrijke impact heeft op de overheidsinkomsten. De Hoge Raad voor Financiën heeft ook al enkele keren tot ophef gezorgd door in haar rapport zogenaamde "typische gevallen" voor te rekenen. Die tonen dan dat het mogelijk is om via een vennootschap een stuk lagere belastingsheffing te bekomen dan via het statuut van werknemer. Toch blijft er over deze materie veel mist hangen. Het is absoluut niet duidelijk hoe representatief dergelijke "typegevallen" zijn. Er is geen berekening gemaakt die vertrekt vanuit reële data, ook niet in de nota van De Grauwe. Er zijn alleen suggestieve interpretaties op basis van macrodata waar de link niet effectief gemaakt wordt.
Gebruikelijke tarieven
Het tarief in de vennootschapsbelasting (VPB) is 25%. Voor kmo's geldt onder bepaalde voorwaarden een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 EUR. Het effectieve gemiddelde tarief ligt vaak iets lager door aftrekposten (investeringsaftrek bv), maar voor een typische KMO zonder bijzondere optimalisaties is 20-25% een goede richtlijn.
(Het verlaagd tarief van 20% is enkel van toepassing onder de volgende vier voorwaarden: exclusief bestemd voor kleine vennootschappen, minimumbezoldiging voor de bedrijfsleider, geen financiële vennootschap, meer dan 50% van de aandelen moet in het bezit zijn van een natuurlijke persoon).
Het is ongelooflijk vast te stellen hoeveel politici denken dat dit alles is. Als je echter geld uit je vennootschap haalt, dan betaal je nogmaals. De roerende voorheffing (RV) op dividenden bedraagt maar liefst 30%. (Er bestaan verlaagde tarieven zoals VVPRbis-regime (voor vennootschappen opgericht na 1/7/2013))
Dit betekent dat velen uitkomen op een totale effectieve belastingdruk van 47,5% (25% vennootschapsbelasting en 30% RV op het overblijvende bedrag). Bij het verlaagde VPB-tarief van 20% daalt dit naar ongeveer 44% .
Paul de Grauwe voegt niets toe door de opmerking over de vervennootschappelijking te maken. Dit had wel gekund als hij nieuwe gegevens in het debat had gebracht tot hoeveel dit zou sommeren op het macrovlak voor de openbare financiën. Wat hij wel doet is een aantal grafieken en tabellen tonen over de evolutie van totale ontvangsten.
Evolutie totale ontvangsten
De Grauwe stelt dat de belastingsontvangsten gedaald zijn met 21 miljard en wijst hiervoor als grote verklaring de vervennootschappelijking aan. Dat laatste wordt echter niet aangetoond maar verondersteld zoals we hierboven bespraken.
Het eerste wordt bepaald door de keuze van periodes die hij maakt, namelijk sinds 2013. Nu, de lezer moet weten dat de overheidsuitgaven enorm stegen in de periode hiervoor. In onze ogen is het erg misleidend op specifiek de periode tussen 2013 eruit te halen. Tenminste wensen we de lezer ook de kans te geven de data te beoordelen over een langere periode. Je kan argumenteren dat dit best gebeurt sinds 2000. Zoals velen weten kwam toen er een structuurbreuk onder de zogenaamde paarse regeringen. Daarvoor waren er zware inspanningen gebeurd om ons land in de eurozone te loodsen. Vanaf 2000 werd deze discipline volledig opgegeven. Dit is het best duidelijk indien we naar de overheidsuitgaven voor rentebetalingen kijken. De rentebetalingen worden bepaald door het niveau van de overheidsschuld die opgebouwd werd en de rente op staatsobligaties. (Er is ook nog een discussie mogelijk over het verschil tussen de lopende uitgaven voor rente en het totaal omdat er ook zoiets is als kapitaaluitgaven die op korte termijn sterk kunnen fluctueren. Dit kan te maken hebben met de verkoop van activa bijvoorbeeld).
We vinden het erg verhelderen om de pancarte hieronder te gebruiken. Dit toont het verschil in interpretatie als we de langere periode bekijken (sinds 2007) of ons beperken tot de periode nadat de overheidsuitgaven het forst zijn gegroeid.
We zaten in 2025 met een tekort van 5,2% van het bbp. Sinds 2007 zijn de uitgaven gestegen van 48,6% van het bbp naar 54,2% van het bbp. We zitten niet alleen met het hoogste overheidstekort in de EU. Met dit niveau van overheidsbeslag scoren we ook op dat vlak enorm hoog. Sinds 2007 zijn de overheidsontvangsten als percentage van het bbp niet gedaald maar gestegen. Door de discussie te verengen tot een recentere periode verschuift heel de discussie (en het narratief in veel media blijkbaar) naar de overheidsontvangsten. Dat bereikt men door als beginjaar een jaar te nemen met overheidsuitgaven fors boven de 50% van het BBP
In 2017 was het overheidsbeslag 52.3% van het bbp, in 2013 zelfs 55.9% (wat volgens ons de keuze van De Grauwe voor dit startjaar verklaart) en alleen alles van dat meetpunt telt (in het narratief) en de discussie gaat vanaf dan vooral over de verandering in ontvangsten (en uitgaven verdwijnen uit beeld).

Statistieken kunnen verhelderen maar ook zaken verstoppen. Ons antwoord is om beter meer (en voor langere tijdshorizons) data te tonen dan minder. Zodat het bredere plaatje zichtbaar blijft. Dat is ook een van de redenen waarom economen liever niet alleen de totale overheidsuitgaven tonen, maar ook die zonder rentebetalingen.
We hebben hierboven al vermeld dat je die met en zonder kapitaalsuitgaven kan bekijken. Wat soms verhelderend is omdat overheden (opportunistisch) activa verkopen. Dit is vooral belangrijk om de periode tussen 2000 en 2007 te beoordelen. De Paarse regeringen leken de overheidsuitgaven onder controle te houden. Maar dat kwam omdat ze veel lagere rentelasten (als % van het bbp) kenden waar de regering zelf geen enkele verdienste aan had. Die kwamen voort uit lage rentelasten, sterke groei en grote begrotingsinspanningen voor de start van de Paarse regeerperiode. Tegelijk verkochten ze veel activa (zoals gebouwen via sale&lease back operaties en het leegmaken van pensioenfondsen). Terwijl het leek dat de overheidsuitgaven stabiliseerden, namen de lopende uitgaven voor rentebetalingen toe met 2.6% van het bbp tussen 2000 en 2006. De regering at met andere woorden de "rentebonus" op in plaats van die te gebruiken om de overheidsfinanciën versneld op orde te zetten.

Samenstelling ontvangsten
We benoemden reeds dat er een discussie is over een verschuiving binnen de ontvangsten. Er wordt gesuggereerd dat de "vervennootschappelijking" leidt tot een krimp in de belastingopbrengsten. We merken nogmaals op dat dit niet berekend wordt. Men zou bijvoorbeeld het aantal vennootschappen die ermee werken kunnen bepalen en dan de "minderopbrengst" berekenen. Dit gebeurt niet. Wat er wel gebeurt is een puur macroanalyse van een aantal grote belastingscategoriën en hun verloop in de tijd becommentariëren. Opnieuw valt een heel opportunistische keuze van tijdsperiodes op.
De Grauwe gebruikt de periode 2013 tot 2025 om te suggereren dat de inkomsten uit de personenbelasting en de sociale bijdragen sterk gedaald zijn. Tussen 2007 en 2025 daalde de inkomsten uit personenbelasting echter met 0.1% van het bbp. Tussen 2017 en 2025 met 0.2% van het bbp. De daling situeerde zich dus vooral tussen 2013 en 2017 waarna die eerder stabiliseerde. Ook tussen 2000 en 2007 nam dit cijfer af. Het overtuigt ons dus niet om dit zomaar aan de 'vervennootschappelijking' toe te schrijven. Het aandeel van de sociale bijdragen in het bbp is wel gedaald met 0.6% van het bbp tussen 2017 en 2025.

Op de periode sinds 2007 valt vooral op dat de indirecte belastingen als % van bbp fors gedaald zijn (met 1.2 procentpunt). Daarnaast is de opbrengst van vennootschapsbelasting toegenomen met 0.7% van het bbp. Conclusies over de totale ontvangsten moeten overigens met enige voorzichtigheid genomen worden. Uit onze analyse blijkt dat de niet-fiscale en niet-parafiscale ontvangsten sinds 2007 met 1.4% van het bbp zijn toegenomen. Deze categorie die met heel andere factoren te maken heeft, beïnvloedt dus wel in zekere mate het resultaat.
In de nota van de Grauwe staat ook een verwijzing naar Decoster en co. die een nieuwe methode (in feite de Piketty-methode) toepassen om ongelijkheid anders te evalueren. Hierbij wordt een verdeling van de totale belastingsdruk over inkomensgroepen getoond. We hebben de voorbije jaren bijgedragen aan het debat over deze methode en benadering. De resultaten worden erg bepaald doordat de top 1% van inkomens meer spaart en minder consumeert. Dan volgt er inderdaad uit dat deze groep weinig consumptiebelastingen betaalt in een individueel jaar. De vraag stelt zich overigens hoe dat over de hele levensloop is. We hebben echter een veel belangrijker punt te maken. De cijfers werden bekomen door reserves die gevormd zijn in vennootschappen toe te wijzen aan de aandeelhouders zodat hun inkomen via deze methode een stuk hoger is dan via de gebruikelijke methodes (die bijvoorbeeld aangewend worden om de ongelijkheid te bestuderen via de Gini-coëfficiënt). We hebben publiekelijk in vraag gesteld of deze methode aanvaardbaar (en robuust) is. Ons lijkt het dat die reserves nodig zijn om verliezen op te vangen in de vennootschappen. Of om te investeren. We hebben grote 'reserves' bij het kritiekloos hanteren van deze alternatieve methode.
De lezer kan onze opinie hierover lezen: https://www.tijd.be/opinie/algemeen/ivan-van-de-cloot-enkele-bedenkingen-bij-de-studie-naar-inkomensongelijkheid/10576667.html
Of ook het tegensprekelijk debat hierover raadplegen: https://www.tijd.be/politiek-economie/belgie/algemeen/econoom-ivan-van-de-cloot-en-fiscalist-mark-delanote-het-principe-van-een-euro-is-een-euro-is-economische-waanzin/10577740.html
Voor iedereen die een diepgaande analyse wil lezen van ons fiscaal systeem: https://www.amazon.nl/Taxshift-waarom-belastinghervorming-nodig-heeft-ebook/dp/B011OOFJ1A/
Daarin komt aan bod welke echte belastingshervorming we nodig hebben. Fiscaliteit gaat niet alleen over belastingsinkomsten en herverdeling maar kan ook een hefboom zijn voor economische groei en welvaart.

CONCLUSIE
Op bijna 20 jaar tijd (2007-2025) namen de overheidsuitgaven toe met 5.6% van het bbp toe (de primaire uitgaven zelfs met 7.4% van het bbp). In diezelfde periode namen de totale ontvangsten toe met 0.4% van het bbp. We vinden het erg opportunistisch om de discussie te beperken tot een recentere periode vanaf 2013. In elk geval: laat elke burger zelf oordelen. We zitten vandaag aan een overheidsbeslag van 54,2% van het bbp. In welke mate dient het begrotingsprobleem vooral aan de uitgaven- dan wel aan de ontvangstenzijde gecorrigeerd te worden?
We hebben het bredere plaatje willen verhelderen door meer data over meer periodes te tonen zodat de lezer zelf conclusies kan trekken. We zien dat sinds 2017 de opbrengsten van de personenbelasting niet per se veel dalen. De sociale bijdragen kennen een al wat grotere daling. Uiteraard dienen allerlei factoren hierbij geëvalueerd te worden zoals bijvoorbeeld loonsubsidiëring. De inkomsten uit de vennootschapsbelasting zijn net heel stabiel sinds 2017. Een belangrijk punt (69% van de verandering in de totale ontvangsten) is de evolutie in de inkomsten uit de indirecte belasting. Het is wat paradoxaal dat in een analyse die vertrok van heel veel suggesties over "vennootschappelijking' misschien het meeste aandacht nodig is voor de inkomsten uit de indirecte belastingen.




Opmerkingen